donderdag 12 december 2013

Terug naar de Velser Affaire, Deel 1



Een maand geleden schreven we over de Velser Affaire. Dit naar aanleiding van de presentatie van het nieuwe onderzoek dat werd uitgevoerd door de intussen NIOD onderzoeker Bas von Benda Beckmann. Een onderzoek dat ook in boekvorm is verschenen. Ondertussen is het boek gelezen en zijn een aantal reacties de revue gepasseerd. De belangrijkste conclusies van het onderzoek waren dat het oranjeverzet in Velsen en IJmuiden geen communistische verzetsstrijders aan de Duitsers heeft uitgeleverd. Er zou tegen het einde van de Duitse bezetting ook geen opdracht van de regering in Londen zijn geweest om het communistisch verzet uit te schakelen. Wij concludeerden daar een maand geleden uit dat de doofpot nog steeds gewoon door gaat. Na het lezen van het verslag van het onderzoek kunnen wij vaststellen dat deze conclusie staat als een huis. Sterker nog; de bewijzen voor deze doofpot zijn alleen maar sterker geworden.

Toch willen we nog een keer op de Velser Affaire terug komen omdat er zaken in het boek staan die zeker van belang zijn, en gelijktijdig gegronde redenen voor verder onderzoek. Laten we bij het begin beginnen. De onderzoeker von Benda geeft in het eerste gedeelte van het boek een overzicht van de geschiedenis en de politieke verhoudingen in IJmuiden en Velsen. Hij schrijft over de sterke tegenstellingen en de strijd tussen vooral de NSB en de CPN. Wat meteen opvalt, is dat hij de opkomst van de NSB in de regio met een zekere bewondering beschrijft. Niet zo zeer bewondering voor de beweging, maar wel voor de mensen die haar opbouwden. In scherp contrast brengt hij de linkse beweging, waaronder de CPN en de RSAP, meteen in verband met geweld en oproer. Hij schrijft vanuit een behoudende geest en dat is overal in het boek merkbaar. Sympathie voor links kan hem op geen enkele manier verweten worden. Wel laat hij doorschemeren dat hij een bepaalde bewondering heeft voor autoritaire figuren zoals burgemeester Kwint van Velsen, en de jurist Nico Sikkel, die een grote rol in de affaire speelde. We hebben dus te maken met een enigszins conservatieve schrijver, die zich zelf misschien wel objectief zal vinden, maar nooit de indruk wekt dat hij tegen de heersende orde in zal gaan. En precies dat tegen de heersende orde in gaan is nodig om de waarheid over de Velser Affaire naar boven te halen.

Wat ook opvalt is dat von Benda de communisten steeds apart zet van de anderen. Regelmatig schrijft hij over de Duitse vervolging van Joden, verzetstrijders en communisten. Als of communisten geen verzetstrijders waren, terwijl de CPN de eerste partij was die georganiseerd in verzet ging. Steeds worden de communisten neergezet als een aparte categorie. Ook dat geeft inzicht in de denkwijze van de onderzoeker. En ook op deze basis kunnen we alleen maar concluderen dat hij niet de juiste persoon was voor dit onderzoek. Zorgvuldig is hij ook niet als het om de communistische organisaties gaat. Zo blijft hij de gewapende vleugel van de illegale CPN steevast de Militaire Commissie noemen, terwijl iedereen met een beetje kennis van zaken weet dat dit Militair Contact was. Hij heeft ook wel sympathie voor de verrader Piet Vosveld, die bijna de hele CPN top heeft verraden. Volgens von Benda deed Vosveld dit als gevolg van mishandelingen door de SD en dreigingen tegen zijn familie. Maar dat gold voor heel veel andere verzetsstrijders, die op de zelfde manier werden mishandeld maar wel trouw bleven aan hun principes en de SD om de tuin probeerden te leiden. Vosveld liet zich tot een gewillig werktuig van de Duitsers maken. Maar dat is voor de schrijver geen aanleiding voor kritiek. Kortom; het onderzoek is gedaan door een burgerlijke onderzoeker die onderdeel uit maakt van het heersende systeem. Het is dus ook geen wonder dat hij nu bij het NIOD zit.

Bij de beschrijving van de oorsprong van de Velser Affaire geeft von Benda al snel aan dat hij begrip heeft voor politiefiguren als Joop Engels, Arend Kuntkes en Cees van der Voort, die na de Nederlandse capitulatie met de Duitse bezetter werden geconfronteerd. Hij geeft toe dat zij in de eerste jaren gedwee de Duitse bevelen uitvoerden, maar hij gaat voor grote delen mee in hun verklaringen van na de oorlog dat ze dit deden om zo verzetsactiviteiten te dekken. Hij heeft veel begrip voor de zogenaamde dilemma’s waarvoor ze werden geplaatst. Dat dit ten koste van het leven van anderen ging, benoemd hij wel zonder er conclusies uit te trekken. Zo werkte Kuntkes in 1943 zonder tegenspreken mee aan het uitleveren van 10 communisten uit Velsen aan de SD. Op een voorstel van de arrestanten om allemaal samen onder te duiken ging hij niet in. Een aantal mensen uit deze groep werden later gefusilleerd. Ook de deelname van Kuntkes aan de zogenaamde treincontroles, waarbij jacht werd gemaakt op Joden, onderduikers en verzetsmensen, wordt door van Benda niet als reden gezien om de politiefunctionarissen te veroordelen. Hij kan zich wel vinden in hun verklaringen dat ook dit een dekmantel voor verzet was. Hij onderbouwd dit dan door te zeggen dat er geen gegevens zijn die bewijzen dat er tijdens de controles veel mensen zijn gearresteerd. Geen gegevens is een excuus dat we hem nog vaker zullen zien gebruiken.

De onderzoeker geeft wel toe dat er sprake was van anticommunisme binnen de politie en onder bestuurders. Maar hij geeft gelijktijdig heftige kritiek op een ander boek dat hier veel verder in gaat. Het gaat om het boek “Vuile Oorlog in Den Haag” van Rudi Harthoorn. Harthoorn zegt dat het anticommunisme binnen de politie continue was, voor, tijdens en na de bezetting. Dit is voor von Benda reden om dit boek weg te zetten als provocatief. Hoe von Benda persoonlijk naar de zaken kijkt wordt ook duidelijk als we het begrip zien dat hij heeft voor de Velser politiemannen, terwijl hij er alles aan doet om de plaatselijke Raad van Verzet (RVV) commandant, Frans van der Wiel, in diskrediet te brengen. Kritiek op de politie komt alleen als het niet anders kan, terwijl hij bij links juist naar een aanleiding zoekt.

Volgens von Benda leverde het oranjeverzet geen communisten uit. Maar hij beschrijft wel in detail hoe de Velser politie de verzetsgroep van Ko van der Haas, die grotendeels communistisch was, aan de SD uitleverde en mee deed aan de arrestaties. Volgens de schrijver gebeurde dit niet omdat het om een communistische groep ging maar om dat de groep Van der Haas een zogenaamde “wilde” groep was die niet naar de BS commandanten luisterde en daarom het imago van het verzet zou schaden. Dit nadat een boer tijdens een overval per ongeluk was neergeschoten. De 7 arrestanten werden later op verschillende locaties gefusilleerd. We komen hier aan een belangrijk punt, want in de winter 1944-45 en ook het volgend voorjaar werd er in veel plaatsten jachtgemaakt op deze “wilde” groepen door de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Het had allemaal te maken met de weigering van een aantal groepen om zich bij de BS aan te sluiten. Vaak ging dit om de meer linkse groepen die van de elitaire BS leiding niets moesten hebben. De Raad van Verzet sloot zich wel na veel aarzelingen bij de BS aan, om isolatie te vermijden, maar het bleef een moeilijk zaak. Zo weigerde Frans van der Wiel de BS een overzicht te geven van de leden van zijn groep en hun bewapening, omdat hij de OD’ers die de leiding hadden in de BS niet vertrouwde. Dat hij het juiste idee had is later zonder meer vast komen te staan. Als hij door rechtse intriges niet op een zijspoor was gezet, had veel ellende voorkomen kunnen worden vooral voor de groep van Hannie Schaft en de zusjes Oversteegen.

Opmerkelijk is dat de Engelsen veel positiever over de Raad van Verzet dachten dan de Nederlandse regering in Londen. Volgens de Engelsen was de RVV de enige verzetsorganisatie die echt iets voorstelde en men besloot de RVV te bewapenen. Dit tot grote ergernis van de Nederlandse inlichtingendienst, die via intriges probeerde om de wapens, die voor de RVV bedoeld waren, toch in handen van de OD te spelen. Maar dit lukte maar gedeeltelijk. Het is wel weer een bewijs voor de vijandigheid van het Nederlandse establishment tegenover de RVV.    
 
Ter afsluiting van dit eerste deel zullen we even een overzicht geven van de situatie in Velsen en IJmuiden na september 1944. De politiemannen die eerder tijdens de bezetting de orders van de Duitsers op de voet volgden, zoals Kuntkes en Engels, zaten nu in het verzet en werden onderdeel van de Binnenlandse Strijdkrachten. Zij werkten onder het commando van de jurist Nico Sikkel, die uit de conservatieve Orde Dienst (OD) afkomstig was en niet populair was bij de RVV en de Knokploegen. Sikkel had echter goede contacten en was familie van minister president Gerbrandy, zo kreeg hij zijn post tegen alle verwachtingen in. Hij had gebruikgemaakt van intriges om Frans van der Wiel op een zijspoor te zetten, en had nu dus alle ruimte. In deel 2, dat over een week verschijnt, zullen we zien hoe deze situatie aan de wieg stond van de na-oorlogse Velser Affaire, en welke conclusies de schrijver hieruit trekt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen